Jeugdzorg staat op een kruispunt

Door: Arnold Heertje

Sneller dan ik had verwacht is in de jeugdzorg in Nederland de paniek uitgebroken. De strategie om bloot te leggen wat er op de werkvloer van de jeugdzorg in heel Nederland gebeurt – door de betrokken bureaus jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, het Leger des Heils, de William Schrikkergroep, christelijke jeugdzorg SGJ en allerlei aanpalende instellingen zoals de Hoenderloo Groep, LSG-Rentray/Intermezzo, Groot Emaus, Spirit, de Bascule, Lindenhout en Humanitas – blijkt succesvol. Kern daarvan is het vermelden van namen van gezinsvoogden, teammanagers en gedragsdeskundigen die aangestuurd door boegbeelden als Erik Gerritsen, Jan-Dirk Sprokkereef, Hans Lomans, René Meuwissen, Hans Kamps en Arthur Schellekens zich inhumaan gedragen jegens vaders, moeders en kinderen.

Terwijl jeugdzorg om het beschermen van kinderen zou moeten gaan, zijn deze volledig uit beeld verdwenen en zijn zij een speelbal geworden van perverse financiële transacties. Het gaat bestuurders en hun raden van toezicht erom – door onterechte uithuisplaatsingen, ondertoezichtstellingen en door het  het inroepen van zogenaamde deskundigen voor vermeende kwalen – zoveel mogelijk subsidiegeld en werk te genereren. De overgang van jeugdzorg van het Rijk naar de gemeenten is het aansteken van de lont in dit onhoudbare kruitvat. Daardoor komt in feite grootschalig naar buiten, wat jarenlang onder het mom van privacy onder de pet moest blijven: het complex van – vanuit het oogpunt van kinderen en ouders – misdadige praktijken. Een voortreffelijke illustratie van de uitgebarsten paniek is het stuk van Gerritsen, directeur van jeugdzorg Amsterdam, in het Parool van zaterdag 27 september.

De lezer moet weten dat onder zijn leiding een reeks van dames en heren honderden kinderen op een afschuwelijke wijze bejegent, zodanig dat sprake is van grootscheepse kindermishandeling. In de tientallen dossiers waarover ik beschik, komen steeds dezelfde patronen naar voren waarvan de hoekstenen zijn: inhumaniteit en het verbieden van waarheidsvinding. De betrokken namen heb ik vermeld in de uiteenlopende drukken van mijn boek Economie waarin voor het eerst in Nederland aandacht is gevraagd voor de inhumane jeugdzorg. Zojuist is de vierde druk verschenen waarin ik de tekst nog enigszins heb aangescherpt. Vanwege de poging van de heer Gerritsen mij monddood te maken, schreef ik hem onlangs de volgende brief:

Geachte heer Gerritsen,

Recentelijk ontving ik van u enkele dreigbrieven en verscheidene dreigmails. U bedreigt mij onder meer met juridische maatregelen, kort gedingen en financiële aanslagen. Zoals reeds is gebleken trek ik mij van al deze epistels niets aan. De reden is dat ook onder uw leiding op de werkvloer van jeugdzorg nog steeds afschuwelijke bejegeningen plaats hebben van kinderen, vaders en moeders. Telkens is de achtergrond een perverse financiële prikkel, zoveel mogelijk geld binnenhalen bijvoorbeeld door het onterecht uit huis plaatsen van kinderen en de werkgelegenheid van uw medewerkers die meestal opdrachten hebben waarvoor ze niet in de wieg zijn gelegd. Het is een publiek belang deze praktijken bloot te leggen, niet alleen in Amsterdam doch ook elders. Kortom, zoals reeds in mijn recente boek ‘Economie’ aangekondigd ga ik door met het aan de kaak stellen van de inhumane jeugdzorg in geheel Nederland.

Hoogachtend,

A. Heertje

Nu de dagen van Gerritsen als bestuurder van jeugdzorg zijn geteld, werpt hij zich in het Parool op als de beschermer van de kinderen (zijn positie doet erg denken aan die van Mindert Mulder bij de NZA, die als directeur is ontslagen vanwege zijn rol in de zelfmoord van Arthur Gotlieb, de klokkenluider die bij de NZA soortgelijke misstanden heeft blootgelegd). Ineens spreekt Gerritsen van “een versnipperd en verbureaucratiseerd systeem’, van ‘zorgen die terecht zijn’ en ‘risico’s die reëel zijn” en roept hij valselijk op te vertrouwen op de professionaliteit van jeugdzorg. De klap op de vuurpijl is dat 95% van de kinderen bij jeugdzorg volgens Gerritsen gelukkig zou zijn, terwijl de percentages eerder omgekeerd liggen. Hij roept op tot samenwerken, terwijl hij al die jaren verantwoordelijk is voor het systeem dat hij nu bekritiseert en als potentaat juist het tegendeel belichaamde van samenwerken waartoe hij nu oproept.

Elders in het land worden gezinsvoogden en andere medewerkers van jeugdzorg reeds ontslagen, worden budgetten terug geschroefd; bezuinigingen die het positieve effect hebben dat aan de inhumane activiteiten nu noodgedwongen een halt wordt toegeroepen. Ongetwijfeld poogt Gerritsen aan een bijltjesdag te ontkomen, maar daarvoor is het nu te laat en heeft hij teveel verderf veroorzaakt. Bijvoorbeeld door het benutten van de betrokkenheid van ouders waartoe hij nú oproept, juist op een intimiderende en ‘bevel is bevel’ attitude de grond in te boren.

In zijn recensie van mijn boek Economie, verschenen in de NRC van vrijdag 26 september, wees Cees Banning terecht op de jeugdzorg als voorbeeld van inhumane architectuur en op mijn suggestie voor humanisering door het toepassen van Mechanism Design. Daarom moet nu de weg worden ingeslagen naar humanisering van de jeugdzorg door nieuwe bestuurders en nieuwe mensen op de werkvloer.

Kindermishandeling en de handelsgeest van bureau Jeugdzorg Gelderland

Reactie op “Ontkenning van kindermishandeling” van 19 augustus 2014, door dr. Jan Willems

Na 30 jaar onderzoek van het fenomeen kindermishandeling mag dr. Willems zich een deskundige op dit gebied noemen. Hij heeft m.i. helemaal gelijk: ontkenning van feiten leidt in de jeugdzorg tot kindermishandeling. Ontkenning van feiten leidt ook tot mishandeling van ouders, grootouders en overgrootouders. Hulpverleners zetten vaak zware wapens in om kinderen van hun eigen ouders en familie te scheiden. Ik noem dat “de geheime missie van bureau Jeugdzorg”.

Een concreet voorbeeld laat deze missie zien.

Een tweeling, een jongetje en een meisje, wordt op 1,5 jarige leeftijd onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De peuters komen terecht in een crisispleeggezin. Dat is een pleeggezin waar kinderen slechts kortdurend mogen worden opgevangen. De pleegouders hebben nog een 16-jarige dochter en een 11-jarige zoon in huis. De peuters krijgen samen één slaapkamertje.

Stichting Lindenhout vindt in het netwerk van de tweeling een familielid dat bereid en in staat is om de zorg voor de tweeling op zich te nemen. Bureau Jeugdzorg besluit echter om de tweeling “perspectief-biedend” in het crisispleeggezin te plaatsen. Daarop wijzigt Lindenhout op papier de status van het pleeggezin. Het is nu plotseling geschikt voor langdurige opvang. Bureau Jeugdzorg verandert dus het beleid van Lindenhout, die jeugdzorg juist zo kort mogelijk wil laten duren.

Een jaar na de plaatsing maken de pleegouders onverwachts aanstalten om naar een andere gemeente te verhuizen. Ze doen dat zonder overleg met Lindenhout. De pleegouders negeren de rol die Lindenhout als begeleider van pleeggezinnen heeft en zetten Lindenhout eenvoudig buitenspel.

Lindenhout vertelt  de biologische vader dat de verhuizing op termijn gevolgen voor de tweeling zal hebben. Toch zijn ook de directe gevolgen niet te ontkennen: de tweeling moet naar een andere peuterspeelzaal en raakt alle speelkameraadjes kwijt.

De pleegvader vertelt aan de biologische vader dat de verhuizing in het voordeel van de tweeling is: de kinderen krijgen in de nieuwe woning ieder een eigen slaapkamer. Tussen neus en lippen door vertelt hij dat het nog geen 3 jaar oude jongetje waarschijnlijk ADHD heeft want hij is zo druk. En nee, dat ligt niet aan de verhuizing, want daar heeft hij de tweeling al goed op voorbereid.

De biologische vader herkent bij zijn zoontje geen ADHD. Het jochie is, net als zijn zusje, gewoon actief. Ze houden van buiten spelen en spelletjes doen. Hij vraagt zich dan ook af of zijn kinderen in het pleeggezin te weinig positieve aandacht krijgen. Die vraag valt bij de gedragsdeskundige niet in goede aarde. Zij beschuldigt hem ervan de pleegouders te diskwalificeren.

In de nieuwe woning mag de biologische vader de slaapkamers van zijn kinderen een jaar lang niet zien. Pas na aandringen van Lindenhout mag dat wel. Met eigen ogen ziet hij dat zijn kinderen toch weer samen één slaapkamertje kregen. De twee kinderbedjes staan strak tegen elkaar aan, in de lengte tegen de verwarming en pal onder het raam. Aan de buitenkant van de slaapkamerdeur zit een deurketting. De pleegvader vertelt dat hij die voor zijn pleegzoon nodig heeft. Daarop klaagt de biologische vader bij Lindenhout over hoe zijn kinderen gehuisvest zijn.

Lindenhout geeft de pleegouders opdracht om de deurketting direct te verwijderen en zo snel mogelijk twee slaapkamers voor de tweeling in te richten. De pleegouders vinden hun huis daarvoor te klein. Als oplossing laten ze hun eigen dochter snel het huis uit gaan. Of dit een positieve of een negatieve invloed heeft op hun relatie met de biologische vader en met Lindenhout, laat zich raden.

Tijdens het daaropvolgende evaluatiegesprek over de jeugdhulpverlening vertelt de pleegvader dat zijn pleegzoon toch geen ADHD heeft. Hij geeft alsnog de schuld van diens drukke gedrag aan de verhuizing. Voor hetzelfde geld had het jochie onterecht het ADHD-stempel gekregen en medicijnen moeten slikken.

De pleegmoeder vertelt dat haar pleegkinderen een slechte gezondheid hebben: de huisarts heeft hen in korte tijd nogal wat antibioticakuren gegeven om keel- en oorontstekingen te bestrijden. Dat de slechte huisvesting van de tweeling de oorzaak kan zijn geweest, is niet bespreekbaar.

De biologische vader vroeg al vanaf de uithuisplaatsing of hij met artsen en scholen mocht spreken. Nu vraagt hij zich af of de huisarts ooit de tweeling in het pleeggezin heeft bezocht. Lindenhout verwijst hem met zijn vragen steeds door naar bureau Jeugdzorg. Daar krijgt hij van de gezinsvoogd en de gedragsdeskundige steevast hetzelfde antwoord: “De gezondheid van de tweeling is een zaak van de pleegouders, om privacy-redenen maken wij de naam van hun huisarts niet aan jou bekend.”

Tijdens een bezoek van de tweeling aan hun vader klaagt zijn dochtertje over oorpijn. Hij ziet een fikse ontsteking aan haar linkeroorlel en achter het rechteroortje oude wondjes. Beide oorstekers haalt hij er voorzichtig uit. Zijn dochtertje vertelt hem dat zij al vaker bij haar pleegmoeder over oorpijn had geklaagd. Die had uitgelegd dat de oorstekers in moesten blijven, want dan konden de gaatjes niet dichtgroeien. De gezinsvoogd legt een melding van de oma van de tweeling, over verwaarlozing en mishandeling door de pleegmoeder, onbeantwoord naast zich neer.

Intussen bereikt de tweeling de basisschoolleeftijd. In groep 1 en groep 2 zitten de kinderen bij elkaar in de klas. De pleegouders volgen in die tijd een training over het opvoeden van een tweeling. In overleg met de basisschool wordt de tweeling in groep 3 in twee parallelklassen geplaatst. Volgens de gezinsvoogd en de gedragsdeskundige is dat beter voor hun identiteits- en schoolontwikkeling.

Aan het einde van het schooljaar hebben beide kinderen 8 onvoldoendes op hun rapport. Het gevolg is dat zij groep 3 moeten doubleren. Een gevolg is ook, dat ze wéér hun klasgenootjes kwijtraken. Voor de zoveelste keer moeten ze aan nieuwe groepsgenootjes wennen. Voor dat gebeurt, meldt Lindenhout dat de pleegouders ADHD-proefmedicatie aan hun pleegzoontje geven. De pleegouders moeten ook een PMTO-training volgen: een opvoedcursus om met moeilijke kinderen om te gaan.

Bureau Jeugdzorg legt de opvoeding en de schoolontwikkeling van de tweeling voortdurend en volledig in handen van de pleegouders. Lindenhout en ook de school erkennen dat betrokken biologische ouders van positieve invloed zijn. Toch verbiedt de gezinsvoogd de biologische vader om naar 10-minutengesprekken en ouderavonden te gaan. Hij mag geen schoolvoorstellingen van zijn kinderen bijwonen en niet met sportdagen helpen. Hij wordt niet betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. De ondertoezichtstelling van de kinderen en het ouderlijk gezag van hun biologische moeder wordt dus TEGEN de biologische vader gebruikt.

De pleegmoeder is intussen grootmoeder geworden. Via een gastouderbureau past ze 3 tot 5 keer per week thuis op haar kleindochtertje. Na verloop van tijd komt er ook een kleinzoontje bij.
Zij heeft dan de zorg voor vijf kinderen: haar eigen zoon, twee pleegkinderen en twee kleinkinderen. In de rapporten en verslagen van bureau Jeugdzorg en Lindenhout wordt dit nergens vermeld. Welke invloed de zwaardere belasting van de pleegmoeder en de vijf kinderen op elkaar hebben houdt bureau Jeugdzorg buiten beeld.

Bureau Jeugdzorg rapporteert wel dat de pleegouders in een identiteitscrisis zijn geraakt. Ook spelen er in het pleeggezin rond de tweeling loyaliteitsconflicten. Daarop eist bureau Jeugdzorg dat de biologische vader (!) zich met zijn kinderen laat observeren. Hij ziet daarin geen oplossing voor de pleegouders en werkt niet mee. Uit wraak zet de gezinsvoogd de bezoeken van de tweeling aan hun vader en zijn familieleden stop.

Pas als de kinderen op school zijn blijven zitten en zij allebei gedragsproblemen in het pleeggezin blijven houden neemt de gedragsdeskundige, die ineens plaatsvervangend gezinsvoogd is, weer contact met hun vader op. Het duurt dan nog een jaar voor de tweeling weer naar hun vader en eigen familie toe mag. De oorspronkelijke gezinsvoogd bepaalt dat de tweeling hun vader 8 uur per jaar mag bezoeken; en vader mag 8 keer per jaar 10 minuten met zijn kinderen bellen.

Bureau Jeugdzorg is met deze pleegouders overeengekomen dat zij de tweeling tot in 2024 houden. “Perspectief-biedend geplaatst” betekent dan: het financieel perspectief voor pleegouders.

Volgens Lindenhout kost een pleegkind ongeveer € 50.000 per jaar aan gemeenschapsgeld.
Dan is het rekensommetje voor de toekomst: twee kinderen x € 50.000 x 10 jaren = € 1.000.000. Garanties voor enige zelfstandigheid van de tweeling, na 2024, geeft bureau Jeugdzorg niet.

Getuigt dit van de handelsgeest van bestuurder Hans Lomans van bureau Jeugdzorg Gelderland?
Ik noem het uitbuiting van twee kleine kinderen; en de belastingbetaler draait voor de kosten op.

De tweeling, die intussen 8 jaar oud is, blijft in het pleeggezin en aan Lindenhout-medewerkers vertellen dat zij vaker en langer naar hun vader toe willen. De gezinsvoogd heeft de tweeling verteld “dat het is, zoals het is”. Hun pleegvader heeft hen daarna verteld dat zij hun pleegmoeder nergens de schuld van mogen geven. Wie dan wel? De gezinsvoogd, de gedragsdeskundige, Hans Lomans? Lijkt mij wel.

Wanda Ravier, oma van de tweeling

Kort geding

Ons bereikt het bericht dat op 12 september om 15.15 ten overstaan van de rechtbank in Lelystad, Stationsplein 15, een kort geding plaats heeft, aangespannen door de medewerker van de Hogeschool van Amsterdam, de heer J. Verzijden, tegen de stichting Mikey-Max. In de kern is de vraag aan de orde of deze stichting de inhumane handelingen van Bureau Jeugdzorg in Amsterdam, geleid door de heer E. Gerritsen, in het openbaar aan de kaak mag stellen. Wellicht is het kort geding de moeite van het bijwonen waard.